Skip links

Kasten vol schuldgevoel 

Geschrokken sloeg Wouter de kartonnen flap van de verhuisdoos dicht. Een muffe, weeïge geur steeg op uit de doos. De geur van beenmerg en de dood, dacht hij. Wouter zat al dagenlang in zijn eentje in de atoombunker onder het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Een lage ruimte gevuld met depotkasten met daarin bruine verhuisdozen, fel verlicht door TL-balken.

Hij stond op, het cassettebandje was afgelopen. Om het werk nog enigszins aangenaam te maken, had hij oude tapes met interviews meegenomen om in de kelder te beluisteren. Wouter was gefascineerd door een interview met Bart Huges, de student medicijnen die in de jaren zestig een gaatje in zijn voorhoofd boorde: auto-trepanie. Een oud ritueel, hoorde Wouter hem op de bandjes uitleggen, om een verruimd bewustzijn te krijgen.

Opnieuw zette Wouter het bandje aan en tilde voor de tweede keer voorzichtig de flap op van de bruine verhuisdoos. Er lag een hoofd, ingevallen alsof het van leer was. Maar het was echt: een mensenhoofd.

Het was niet de eerste schedel die hij oppakte, maar wennen deed het niet. De schedel die hij in zijn handen had, was vroeger van een mens. Dit was niet wat hij in gedachten had, toen hij stage wilde lopen bij het Tropenmuseum.

Een speciale klus

Het was 2002 en de jonge Wouter Bijdendijk studeerde museologie in Amsterdam. Een stage in het museum over buitenlandse culturen leek hem wel wat. Maar Susan Legêne, hoofd museale zaken van het Tropenmuseum, had een speciale klus voor hem: hij mocht een vergeten collectie inventariseren. 

In de atoombunker van het AMC lagen in oude verhuisdozen de overblijfselen van het Nederlandse koloniale verleden. In de dozen zaten duizenden botten, schedels en lichaamsdelen op sterk water. Menselijke resten die waren meegenomen uit mortuaria en van begraafplaatsen in toenmalig Nederlands-Indië, Nederlands-Nieuw-Guinea en andere overzeese gebieden. Menselijke resten die in het bezit zijn van het Tropenmuseum.

Nu, zestien jaar later liggen de resten nog steeds in het Tropenmuseum. De tijdgeest is dwingend: nationaal en internationaal zijn musea bezig met ‘dekoloniseren’: ze erkennen de koloniale of racistische achtergrond van hun collectie en worstelen met de vraag hoe ze een verhaal van kolonialisme en slavernij kunnen vertellen dat recht doet aan het verleden.

Zo onderzoekt het Rijksmuseum of objecten uit hun collectie geroofd zijn uit de koloniën. Het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With, vernoemd naar de zeventiende-eeuwse zeevaarder, wil na protesten van kunstenaars niet langer de naam van een VOC-schurk dragen. Veel musea herschrijven bordjes en veranderen het woord ‘slaaf’ in ‘tot slaaf gemaakte’. Ook het Tropenmuseum vertelt over de misstanden in het koloniale tijdperk met een nieuwe tentoonstelling over de invloed van het slavernijverleden op het heden.

Maar ondanks pogingen van het Tropenmuseum om een ethische oplossing te vinden, liggen de resten van voormalig koloniale burgers nog altijd in het depot. Waarom is het zo lastig van de koloniale erfenis af te komen?

… Benieuwd? Lees het volledige verhaal hier verder op de website van Vrij Nederland.

‘Kunnen jullie je menselijke resten komen ophalen?’

Toen Susan Legêne eind jaren negentig begon als hoofd museale zaken van het Tropenmuseum, had ze geen idee dat de collectie menselijke resten bestond. De collectie was bijna dertig jaar eerder in langdurige bruikleen gegeven aan Museum Vrolik, het anatomische museum van het Academisch Medisch Centrum. Het idee was dat de collectie daar beter tot haar recht kwam en misschien nog tentoongesteld kon worden. Maar de dozen met schedels en botten werden in het depot gezet, in de atoomkelder, waar ze ongeopend bleven staan.  

Totdat Legêne in 2002 een belletje kreeg van een medewerker van het anatomische museum. ‘Jullie dozen staan hier al dertig jaar in de kelder’, vertelde de medewerker. ‘We hebben ruimtegebrek. Kunnen jullie je collectie menselijke resten weer komen ophalen?’

‘Ik dacht meteen: dit is onze verantwoordelijkheid’, zegt Susan Legêne vanaf de elfde verdieping van de Vrije Universiteit, waar ze nu werkt. Ze praat zacht maar gedecideerd. ‘De collectie moest terugkomen naar het Tropenmuseum.’

Het komt immers door de voorganger van het Tropenmuseum dat de schedels uit de voormalige koloniën in Nederland liggen. Tot ver in de twintigste eeuw werden de menselijke resten naar Nederland gehaald voor de fysische antropologie: het onderzoek naar rassenverschillen en de evolutie van de mens. Het Tropenmuseum, toen nog het Koloniaal Instituut, haalde voor deze wetenschap schedels uit de koloniën. Het was niet de enige plek in Nederland waar botten en schedels uit koloniën werden verzameld: ook het Anatomisch Museum in Leiden had een grote verzameling.

Rassentheorieën

De wetenschap naar lichamen van verschillende volken werd populair aan het einde van de 19de eeuw. Antropologen trokken de oerwouden in en classificeerden alle lichaamskenmerken van de volkeren die ze tegenkwamen. Zoals de neusbreedte, schedelomvang en kleur van de ogen.

Ook namen ze skeletten mee naar huis om de metingen in Nederland voort te zetten. Lichamen werden uit een ziekenhuis in Java gehaald of opgegraven van begraafplaatsen. Sommige volkeren in Nederlands-Nieuw-Guinea hadden de gewoonte om de hoofden van overwonnen vijanden af te hakken, het zogeheten koppensnellen. Die schedels werden in beslag genomen door het koloniale Nederlandse bestuur en ook opgestuurd naar Amsterdam.

‘Wetenschappers probeerden de superioriteit van de koloniale overheersers te bewijzen’, zegt historica Fenneke Sysling, die hierover haar proefschrift schreef. Ze wilden rassentheorieën uit de 19e eeuw bewijzen, zoals het verband tussen raskenmerken en intelligentie. Hoe groter de schedel, hoe intelligenter het ras. Al stond van tevoren vast dat de koloniale overheerser superieur was, dus alles wat niet binnen de theorie paste, werd weggelaten.

‘Dat heeft de fysische antropologie besmet gemaakt’, vertelt Amade M’charek. Ze is hoogleraar Antropologie van de wetenschap en onderzoekt hoe vooroordelen over ras en identiteit doorwerken in de wetenschap. ‘De structuren van het hele vakgebied van de fysische antropologie waren gebaseerd op het raciale denken.’

In 1951 kwam daar langzaam verandering in toen vredesorganisatie UNESCO een belangrijk document naar buiten bracht: het ‘Statement on race’. ‘Daarin stond dat er geen wetenschappelijk bewijs bestond voor het concept ras’, zegt M’charek. ‘UNESCO forceerde hiermee een einde aan het raciale denken, al drong het wereldwijd pas echt door in de jaren negentig van de vorige eeuw.’

Vanaf de jaren vijftig verdween de afdeling fysische antropologie geleidelijk uit het Koninklijk Instituut voor de Tropen, zoals het destijds heette. In de jaren zeventig besloot het Tropenmuseum dat de menselijke resten niet langer bij de collectie pasten en gaf ze aan Museum Vrolik, in langdurige bruikleen.

Laatste rustplaats 

Er moest een ethische oplossing voor de menselijke resten komen, vond Susan Legêne, toen ze eenmaal van het bestaan van de schedels wist. Maar hoe? Conservator historische collecties David van Duuren opperde de resten aan een ander museum te schenken. Hij ging zelfs naar het Anatomisch Museum in Leiden om te polsen of zij misschien interesse hadden, maar voor Legêne was dat geen optie. Dan verdwenen de schedels opnieuw in een grote collectie, anoniem.

Ze wilde de botten liever een laatste rustplaats geven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Met een monument voor de mensen die in de koloniale wetenschap het eeuwige leven hadden gekregen. Maar, bedacht Legêne, de meeste schedels en botten kwamen uit Nieuw-Guinea en Java. De mensen van wie de botten zijn, waren waarschijnlijk helemaal geen christen, maar animist, of moslim. Zo’n begraafplaats heeft toch een christelijke context en dat is dan geen goed idee, vond ze.

Daarom besloot ze eerst de herkomst van de menselijke resten te onderzoeken. Zodat ze misschien ooit terug konden gaan naar waar ze vandaan kwamen. In het geheim, zodat de pers er niet mee aan de haal kon gaan. Het mocht vooral geen kermisattractie worden. Conservator David van Duuren kreeg de opdracht de schedels te onderzoeken. ‘Zo vlak voor mijn pensioen had ik helemaal geen zin in al die schedels’, bromt Van Duuren. ‘Maar ja, toen ik in de jaren zestig studeerde, had ik fysische antropologie gedaan. Dus ik was de aangewezen persoon.’     

‘Als bonbonnetjes in een doosje’

Drie jaar nadat stagiair Wouter de schedels had geïnventariseerd in de atoomkelder onder het AMC, begon Van Duuren aan het grote onderzoek. In een afgeschermde werkkamer achterin het museum hees hij zich in zijn witte pak. Handschoentjes aan. Mondkapje op. Voor het geval er nog oude ziektes in de schedels en botten zaten. Geholpen door assistenten vergeleek hij de schedels – sommigen wit en schoongewassen, anderen nog met stukken huid erop – stuk voor stuk met de oude inventarislijsten van het museum. Hij onderzocht oude documenten, brieven uit Nederlands-Indië, jaargangen van koloniale blaadjes. Alles om erachter te komen wie de mensen waren wiens schedels hij in zijn handen had.

Dat was lastig. Bij sommige schedels hoorden oude archiefkaartjes. ‘Geelvink Baai, 16 schedels’, stond erop. Of ‘Java, Surabaya’. Van andere schedels was geen plaats van herkomst bekend, laat staan een naam. ‘Op internet heb ik ook zitten speuren naar de mensen die destijds de schedels aan het museum hebben gegeven’, zegt Van Duuren. ‘Dat valt nog niet mee, als je iemand zoekt die tachtig jaar geleden leefde.’

Tot Van Duurens verbazing kreeg het museum tot in de jaren vijftig schedels en botten uit de koloniën toegestuurd. Indonesië was toen al onafhankelijk, maar Nederlands-Nieuw-Guinea bleef tot in 1962 een kolonie van Nederland. Het waren in beslag genomen hoofden van koppensnellers, skeletten van een oude Papoea-begraafplaats en trofeeën: met klei versierde hoofden van overwonnen volken. Die laatste jaren arriveerden in totaal 116 schedels bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen.

Na twee jaar geheim onderzoek had Van Duuren alle schedels geïnventariseerd. Zorgvuldig legde hij de schedels in platte dozen en dekte ze toe met vloeipapier. ‘Twaalf schedels per doos, heel keurig. Als bonbonnetjes in een doosje’, zegt Van Duuren. Hij plaatste de dozen in de hoge kasten in het ondergrondse depot van het Tropenmuseum. Vanaf dat moment mochten de schedels niet meer gezien worden, en al helemaal niet meer tentoongesteld. Dat zou onethisch zijn, volgens Legêne. De mensen die in het depot lagen, hadden er immers niet zelf om gevraagd. De kasten bleven dicht, de dozen gesloten. Totdat er een oplossing zou komen om de menselijke resten een definitieve bestemming te geven.

Een ethische oplossing?

Het was 2007 en het Tropenmuseum wilde voor eens en voor altijd een uitkomst voor de menselijke resten, die het al sinds de jaren zeventig niet meer wilde hebben. Legêne en Van Duuren bedachten iets wat tot dan toe weinig musea deden: ze zochten openheid. Er verscheen een boek en er werd een internationale conferentie gehouden. Kranten schreven over het macabere bezit en tv-programma’s kwamen langs bij het museum. Het museum was klaar voor een maatschappelijke discussie: hoe kon het op een ethische manier met de menselijke resten omgaan?

Terugsturen naar waar ze vandaan komen, dat leek de meest logische reactie. ‘Maar het teruggeven van menselijke resten is juridisch gezien ongelooflijk lastig’, zegt Harrie Leyten, destijds lid van de ethische commissie van de Museumvereniging. ‘Volgens de Nederlandse wet hebben nabestaanden recht op lijkbezorging. Maar dan moeten ze zelf met behulp van DNA-onderzoek bewijzen dat die ene schedel in het Tropenmuseum van hun voorouder is. Dat is bijna onmogelijk. Want hoe kunnen Indonesiërs weten dat die anonieme schedel hier van hun grootvader is?’

‘Als er geen verwantschap is, kunnen ze alleen een beroep doen op het culturele belang van de menselijke resten’, zegt Leyten. ‘Dat is bijvoorbeeld hoe de opgezette man El Negro en Saartjie Baartman zijn teruggekeerd: niemand wist meer tot welke familie ze behoorden, maar ze zijn een belangrijk cultuurbezit geworden.’ 

Het hoofd van koning Badu Bonsu II

In Nederland is het hoofd van Badu Bonsu II een voorbeeld van een geslaagde repatriëring. Even was het wereldnieuws: in 2009 gaf Nederland het afgehakte hoofd van een Ghanese koning terug aan Ghana. Badu Bonsu II, ‘koning van de Ahanta’, werd bijna 190 jaar eerder onthoofd door Hollandse handelaren in West-Afrika. Zijn hoofd werd per boot naar Leiden verstuurd, gepreserveerd in alcohol en in een weckpot gedaan. Daarna stond het diep weggestopt in het depot van het anatomische museum.

Totdat schrijver Arthur Japin onderzoek deed voor zijn boek De zwarte met het witte hart en in het depot het hoofd op sterk water vond. ‘Het moet terug naar waar het vandaan komt’, vertelde hij in een uitzending van Pauw en Witteman in 2009. In diezelfde uitzending werd ook een videoboodschap vertoond van de Ghanese ambassadeur in Nederland: ook hij eist dat het hoofd van Badu Bonsu II terugkeert naar het vaderland. Want zonder hoofd komt het lichaam van de koning niet tot rust.

In allerijl gaf het Leids Anatomisch Museum de zeggenschap over het hoofd aan Maxime Verhagen, destijds minister van Buitenlandse zaken. Hij schakelde de raad van Ghanese koningen die in Nederland wonen in voor advies. Koning Barima Asamoah Kofi IV, woonachtig in de Bijlmer, zat in die raad: ‘Ik dacht, hoe is het mogelijk?! Hoe kun je een kop in een glazen pot stoppen? Zo onmenselijk. Maar ik was niet boos, dat heeft geen zin. Het is gebeurd en het hoofd moest terug’.

In 2009 werd een officiële overdracht georganiseerd op het ministerie in Den Haag. Een delegatie van Ahantamannen en –vrouwen, gekleed in zwarte en rode gewaden, nam het hoofd in ontvangst. Er werd op traditionele drums gespeeld en de tapijten van het ministerie werden rijkelijk besprenkeld met jenever. ‘Voor ons was het echt een rouwplechtigheid’, zegt Barima.

Internationaal was er veel aandacht voor de overhandiging: in een persbericht van Associated Press was de koning van de Ahanta per ongeluk verworden tot koning van de Ashanti, een machtig volk. En op televisie vertelde een nakomeling dat zijn voorvader een antikoloniale vrijheidsstrijder was. ‘Zo is Badu Bonsu II postuum nog een nieuwe carrière begonnen’, zegt historica Ineke van Kessel. ‘Volgens de literatuur was hij een akelig klein despootje dat door zijn eigen volk is uitgeleverd aan de Nederlanders.’

Barima Asamoah Kofi IV kan daar heel boos om worden. ‘Hoe kan je dat zeggen als je de Ghanese structuren niet kent! Badu Bonsu II was een dappere koning. Hij kwam op voor zijn volk dat vermoord werd door de blanken.’

In 2012 is het hoofd van Badu Bonsu eindelijk in Ghana begraven, laat de         Ghanese ambassade in Nederland weten. Of het ook op dezelfde plek is begraven als waar zijn lichaam ligt, dat weten ze niet. ‘Daar praten we niet over, dat ligt te gevoelig.’ Volgens Barima kan het lichaam niet al die tijd bewaard zijn gebleven. ‘Maar dat maakt niet uit. Het hoofd is nu thuis.’

Niemand belde

In het Tropenmuseum werd in 2007 een stormloop verwacht, na de krantenartikelen en tv-uitzendingen over de duizenden schedels en botten die in het depot lagen. ‘We dachten: nu komen de Indonesiërs allemaal tegelijk hun voorouders opeisen,’ zegt Van Duuren. Dat was immers ook gebeurd met de getatoeëerde Maori-hoofden in musea over de hele wereld, die door hun nakomelingen teruggevraagd werden.

‘Sinds de eeuwwisseling claimen steeds meer actiegroepen van inheemse minderheden schedels van verwanten’, legt Mirjam Hoijtink uit, hoofd Museum Studies aan de Universiteit van Amsterdam. ‘De claims zijn vaak een onderdeel van cultuurpolitiek: zo benadrukken minderheden hun culturele eigenheid.’

In navolging van de internationale discussie over menselijke resten stelde de Museumvereniging een ethische code op. En ook de stichting van volkenkundige musea schreef allerijl een ethische richtlijn. Want niet alleen het Tropenmuseum, ook andere volkenkundige en anatomische musea hadden menselijke resten in de collectie. Musea moeten open zijn over wat ze in hun collectie hebben, staat in de code. En nabestaanden die resten terugeisen, worden ‘met gevoel en respect’ behandeld. Maar actief op zoek gaan naar nabestaanden, dat hoeft niet.

Ondanks de hoge verwachtingen werd het geen stormloop in het Tropenmuseum. Er liggen immers geen Maori-hoofden, maar duizenden botten en schedels van anonieme Indonesiërs en Papoea’s. De telefoon in het Tropenmuseum bleef stil. Niemand belde om de resten op te eisen.

Toch had één instituut wel interesse in de schedels: het Eijkman Instituut voor moleculaire biologie in Jakarta. Zij wilden de botten en schedels uit Java gebruiken. Niet om ze in Indonesië te begraven, maar om met DNA-onderzoek te testen aan welke ziektes de Javanen decennia eerder gestorven waren. Maar om in Indonesië DNA-onderzoek te mogen doen, is toestemming nodig van de nabestaanden.

‘Dat is nu juist het probleem’, zegt Claudia Surjadjaja, die als medisch ethicus verbonden is aan het Eijkman Instituut. ‘We weten niet wie de nabestaanden zijn omdat we niet weten waar de schedels precies vandaan komen. Daarvoor moeten we eerst DNA-onderzoek doen, waar we geen toestemming voor hebben. Het is een kwestie van kip of ei’,  verzucht ze.  Zonder toestemming is geen onderzoek mogelijk en dus ging de deal niet door.

Intussen had het Tropenmuseum andere prioriteiten: geldproblemen. In 2011 werd er bezuinigd op het museum en twee jaar later dreigde het ministerie van Buitenlandse Zaken de subsidie compleet stop te zetten. Het museum kon slechts op één voorwaarde blijven bestaan. Het moest met Museum Volkenkunde in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal fuseren tot één Nationaal Museum van Wereldculturen. De collectie werd eigendom van het Rijk. Dus ook de menselijke resten.

Het gemeenste wat je kunt doen

Naast menselijke resten van Indonesiërs en Papoea’s, heeft het Tropenmuseum ook nog altijd mysterieuze Japanse botresten. Mysterieus, omdat het onduidelijk is of het wel echt Japanners zijn. De botten werden in de jaren vijftig vanuit Nieuw-Guinea naar het Tropenmuseum gestuurd. Dat gebeurde vaker: in de Tweede Wereldoorlog waren veel soldaten uit het Japanse leger in Guinea omgekomen. Japanse schedels waren gewild onder fysische antropologen omdat Japanse skeletten meestal gecremeerd werden, ze waren dus zeldzaam.

In tegenstelling tot Indonesië, was de Japanse overheid wel actief bezig met het terugzoeken en repatriëren van menselijke resten. Vooral soldaten die over de hele wereld gesneuveld zijn, maar dan moeten het wel écht Japanners zijn. Dat is precies het probleem, legt conservator Oost-Azië Daan Kok uit: ‘we weten het niet’. Bij de resten zaten namelijk stukjes van het Japanse uniform. Maar het zouden ook botten van Chinezen of Koreanen kunnen zijn, die in het Japanse krijgsleger zaten.

‘Het is tegenstrijdig’, zegt Kok vanuit zijn werkkamer versierd met Japanse posters. ‘Om te achterhalen waar de botten precies vandaan komen, moet je ze opmeten. Maar dan moet je juist de techniek gebruiken die in het verleden zo omstreden was, het schedelmeten.’

Een onderzoek uit 2016 gaf helaas geen soelaas: sommige resultaten wezen op China, andere op Noord-Japan. Zolang de herkomst onbekend is, kan Kok niets doen. ’Repatriëren kan maar één keer, en niet-Japanse krijgsgevangenen in Japan begraven is moreel gezien ongeveer het gemeenste dat je kunt doen’, vindt de conservator.

De wel-of-niet Japanse botten blijven voorlopig in het ondergrondse depot liggen, bij de andere menselijke resten uit de voormalige koloniën. In dichte dozen, ver van de ogen van buitenstaanders.

Ethiopische penis

Niet alle musea waar menselijke resten uit overzeese gebieden liggen, voelen hetzelfde ongemak dat bij het Tropenmuseum overheerst. Waar in het Tropenmuseum de schedels onder strikte regels afgesloten in het depot liggen, staan ze in het Universiteitsmuseum Groningen gewoon in de vitrine.

Trots loopt curator Rolf ter Sluis over de krakende houten vloeren van het Universiteitsmuseum in Groningen. Langs de glazen flessen met foetussen in alcohol, zorgvuldig uitgelicht. Langs de misvormde skeletten van mensen met een afwijking en de verbleekte penis van een Ethiopiër op sterk water. Daar, in de ouderwetse houten vitrinekast J liggen ze. ‘Schedel van een Javaan, begin 19e eeuw’, staat op het bordje. En daarboven, de ‘schedel van een Hottentot’ en die van ‘een Amerikaanse neger’.

‘Ik vind het geen probleem om de schedels te laten zien’, zegt Ter Sluis. ‘Onze collectie heeft geen koloniale connotatie, het heeft niets te maken met het imperialisme. De grondlegger van onze collectie, Petrus Camper, leefde in de 18e eeuw. Hij had een groot netwerk van mensen bij de VOC en wetenschappers die over de hele wereld op expeditie gingen. Ze wisten dat hij geïnteresseerd was in anatomie dus namen ze dingen voor hem mee.’ 

Hij gebaart naar de hoge vitrinekasten om hem heen. ‘Wij zijn een wetenschapsmuseum en dit zijn de eerste schedels uit de fysische antropologie. Daarom laten we de oude beschrijvingen zien, zoals Hottentot’, legt hij uit. ‘Volkenkundige musea vinden menselijke resten ongemakkelijk omdat zij de fysische antropologie onlosmakelijk verbinden aan een waardeoordeel. Dat hebben wij nooit gedaan. Het feit dat deze schedel van een Javaan is, maakt voor mij geen verschil. Het had ook een Nederlander kunnen zijn. Een schedel is een schedel.’

Een typisch voorbeeld van Europees kolonialisme, vindt activiste Hodan Warsame, één van de initiatiefnemers van de actiegroep Decolonize The Museum. De groep probeert musea te confronteren met de koloniale denkbeelden die daar nog steeds kunnen bestaan en een gesprek op gang te brengen over hoe musea gekoloniseerde mensen een stem kunnen geven. ‘Kennis produceren over niet-westerse culturen was al heel vroeg een methode van koloniale regimes’, zegt ze. ‘Want jij kent ze, je hebt ze gemeten, gecategoriseerd en opgesloten in een vitrinekast. Dat geeft macht.’

Koloniaal bezig

Dat de menselijke resten nog steeds in het depot van het Tropenmuseum liggen, vindt Warsame een kwestie van geen verantwoordelijkheid willen nemen. ‘Ik snap niet dat het niet tot resultaat heeft geleid. Hoe lang liggen die schedels er nu al? Ze moeten gewoon terug naar het land waar ze vandaan komen.’

‘Het is onmogelijk om de schedels gewoon maar terug te sturen’, zegt de Indonesische ethisch medicus Claudia Surjadjaja van het Eijkman Instituut in Jakarta. ‘Nederland zit met een schuldgevoel, maar hier in Indonesië zit niemand op die schedels te wachten. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken niet. Zou jij honderd jaar oude botten uit Nederland willen hebben?’

‘Ging het maar om een schuldgevoel’, zegt Wayne Modest met ongeloof in zijn stem. Hij is de opvolger van Susan Legêne en hoofdonderzoeker van het Museum van Wereldculturen. Hij is speciaal door het museum gescout om samen met collega’s het lastige vraagstuk van dekolonisatie en diversiteit aan te pakken. ‘Maar het gaat niet over schuld’, zegt Modest. ‘Als dat zo was, zou ik blij zijn. It’s about getting rid of a burden.’

‘Toen we die schedels meenamen, stonden we niet stil bij de ethiek. We maakten ze tot ons eigendom en deden ermee wat we wilden. Op een gegeven moment vinden we dat deze objecten ons tot last zijn. Het is te duur, neemt te veel ruimte in beslag. Vervolgens zeggen we: oké, laten we het teruggeven aan het land waar het vandaan komt. Maar het is onze verantwoordelijkheid een respectvolle en ethische oplossing te vinden, niet die van hen.’

‘In Papoea willen we de menselijke resten wel hebben’, zegt Menase Kaisiëpo. Zijn familie werd na de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië naar Nederland verbannen. Kaisiëpo lobbyt nu bij de Verenigde Naties voor de zelfbeschikking van de Indonesische provincie. Hij vindt dat de schedels terug moeten naar het land van zijn voorouders. ‘Dit is een zaak tussen Nederland en Papoea. Indonesië heeft hier niets mee te maken, die mag hooguit in de cc.’

‘Als uit de officiële procedures blijkt dat de beste bestemming van de schedels Papoea is, dan doen we dat’, zegt Modest. ‘Het is belangrijk om een goede oplossing te vinden, maar er zijn procedures die we moeten volgen. We moeten de officiële kanalen gebruiken.’ Als nationaal museum moet er contact worden gezocht met officiële tegenhangers. Dat is de Indonesische ambassade, ook als het over resten uit voormalig Nederlands-Nieuw-Guinea gaat. Dat valt nu immers onder Indonesië.

Hij wil ervoor waken dat het museum te veel op eigen initiatief handelt. ‘We moeten oppassen dat we ons niet koloniaal gaan gedragen. Als je als westers instituut zelf gaat bedenken wat de beste plek voor deze menselijke resten is, dan ben je opnieuw koloniaal bezig. Dat wil ik voorkomen.’ Wat wil Modest dat er nu met de collectie gebeurt? ‘Ik zou opnieuw het gesprek met Indonesië en andere betrokkenen aangaan. Kijken of er nieuwe opties voor herbegraven zijn, in Indonesië, Papoea of in Nederland’, zegt hij.

Het beste is om ze maar gewoon te begraven, vindt ook Claudia Surjadjaja. ‘Maar ja, straks zijn het hindoes. Dan moeten ze juist gecremeerd worden.’

Een beslissing

‘Of we moeten we het helemaal anders aanpakken’, oppert Amade M’charek. De hoogleraar Antropologie van de wetenschap werkt sinds kort samen met Modest. ‘Het is heel moralistisch om te zeggen: alles moet terug. Naar wie dan? Misschien moeten we beslissen dat de botten van ons allemaal zijn, onderdeel van een gedeelde geschiedenis én een gedeeld heden. Dus haal die botten uit de donkere kelder en denk na over hoe ze een bijdrage kunnen leveren aan hoe we nu met elkaar omgaan.’

Het is nu aan het Tropenmuseum om een beslissing te nemen. Ze moeten de cirkel doorbreken, vindt Surjadjaja. ‘Anders zitten er over tien jaar nieuwe onderzoekers en begint de discussie weer opnieuw.’

Daar kan ze wel eens gelijk in krijgen. Susan Legêne werkt inmiddels als hoogleraar Politieke Geschiedenis aan de Vrije Universiteit. David van Duuren ging in 2010 met pensioen. En stagiair Wouter? Het uitpakken van de schedels was zijn laatste klus in de museumwereld. Hij is nu illusionist.

Leave a comment