Skip links

Deze bunker bewaart kernafval en kunst

De bunker was nog in aanbouw toen William Verstraeten hem voor het eerst zag. Een rechthoekige doos van gewapend beton. Grijs en reusachtig doemde hij op aan de oever van de Westerschelde. De stalen bewapeningskabels staken uit de muren, door elkaar gevlochten zodat het gebouw bestand is tegen een aardbeving, een overstroming en een neerstortend vliegtuig tegelijk.

De bunker zal er ook nog staan wanneer William Verstraeten er niet meer is. Honderd jaar, misschien nog langer. Dan is de bunker vijf keer van kleur veranderd: van vlammend oranje naar kuikentjesgeel, totdat hij uiteindelijk wit is. In die bunker ligt al het hoogradioactieve afval van Nederland, honderd jaar lang. Tegen die tijd moet Nederland een definitieve oplossing hebben voor het radioactieve afval, dat nog duizenden jaren blijft stralen. Maar zo ver zijn we nog niet, eerst het begin. Over hoe een laag verf van 0,03 millimeter een gesloten bedrijf veranderde.

Reusachtig skelet

William Verstraeten scheurde in zijn krakkemikkige autootje door de Zeeuwse weilanden. In een oude Citroën Ami of een lelijke eend, net wat de jonge kunstenaar voor een paar tientjes op de kop kon tikken. Gaten in de vloer, gierende wind langs zijn hoofd. Gammele wagentjes waren het, lang voordat de APK bestond. Het was halverwege de jaren zestig en William – op zijn Vlaams, dus Willi-jam – jakkerde met wapperende haren naar de Westerschelde, klaar om actie te voeren.

Daar aan de Schelde zou de tweede kerncentrale van Nederland verrijzen: Borssele. Hij demonstreerde tegen kernenergie omdat het zo destructief was. Niet dat hij zich aan de hekken vastketende, hij deed het met een biertje in de hand en een jointje achteraf. Want ja, iederéén was tegen en dan kun je als kunstenaar natuurlijk niet achterblijven.

‘Wat, ik?’ riep hij dan ook uit toen hij ruim dertig jaar later werd gebeld. Het was net na de eeuwwisseling, William was aan het werk in zijn atelier in Middelburg. De kunstenaar was nog steeds langharig en nu ook bebaard, als een vriendelijke Zeeuwse reus.

‘U spreekt met de directeur van de afvalverwerking voor radioactieve stoffen’, sprak de stem aan de andere kant van de lijn. ‘Mijn naam is Hans Codée. Ik wil een foto van u kopen, voor aan de muur van onze nieuwe bunker’, zei de directeur. O, reageerde William. ‘Ik heb vroeger tegen kernenergie gedemonstreerd. Is dat een probleem?’

Ik schreef dit artikel eind 2018 voor het oktobernummer van Vrij Nederland. Lees het hier verder.

Dat was het niet en dus reed William nogmaals langs de Westerschelde, ditmaal in een auto zonder tochtgaten. Hij passeerde de schoorstenen van de kolencentrale, links zag hij het witte bolletje waarvan hij wist dat het de kerncentrale Borssele was. Die was ondanks de protesten toch in gebruik genomen. Hij reed over de goederenspoorlijn, door het toegangshek, tot een reusachtig skelet van wapeningsstaal voor hem opdoemde.

Daar zag hij de bunker in aanbouw: rechthoekig en grijs, een kolos. Aan één zijde lag de muur nog open, een gapend gat waar de grote machines het gebouw weer uit konden. Wat doen ze hier allemaal, dacht de kunstenaar.

Gedragen overalls

Dit is de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval, kortweg Covra. Hier bewaren we al het radioactieve afval uit Nederland, legde toenmalig directeur Hans Codée hem uit. Afval dat uit de kerncentrale Borssele komt en van de onderzoeksreactoren in Petten en Delft.

Spullen zoals gedragen overalls en splijtstoffen uit de reactor, en handschoenen en naalden uit ziekenhuizen waar patiënten met radioactieve stoffen worden bestraald. Materialen die van nature radioactief zijn en die gebruikt werden in de wegenbouw. Of de kadavers van proefdieren die door tests radioactief zijn geworden. Dat alles wordt naar dit stukje Zeeland gebracht.

De wereld om ons heen zit vol straling: er is zichtbare straling zoals zonlicht, en onzichtbare straling van bijvoorbeeld de radio, mobiele telefoons en zendmasten. Radioactieve materialen zenden ook straling uit.

Dat zit zo: ieder materiaal is opgebouwd uit atomen. De meeste atomen zijn stabiel, maar sommige vallen vanzelf uit elkaar. Bij het uit elkaar vallen van de atoomkern komt energie vrij: radioactieve straling. Na iedere atoomkern die uit elkaar valt, is er eentje minder over, totdat er op den duur geen een meer over is. Het zogeheten verval van radioactieve stoffen kan een paar dagen tot miljarden jaren duren.

Voorheen werd het afval, behalve het meest radioactieve, in de Atlantische Oceaan gedumpt. Met internationale waarborgen werd het in vaten overboord gegooid, 700 kilometer ten westen van de Portugese kust. Het idee was dat het afval vanzelf zou verdunnen in de oceaan, waardoor het onschadelijk zou worden. Onder druk van de milieubeweging stopte Neder- land in 1982 met het dumpen in zee. In dat jaar werd Covra opgericht dat tot taak kreeg het afval veilig op te bergen.

Gecamoufleerd

Moet ik dit doen, dacht Verstraeten, radioactief afval? In de kunstwereld was het gebruikelijk om tegen kernenergie te zijn. Hij had collega’s bij de toegangshekken van Covra zien staan, die tegen de komst van de bunker voor hoogradioactief afval demonstreerden. Het terrein zou zwaar bewaakt worden, met wachttorens en prikkeldraad. Hans Codée had zelf een keer een bompakket aan de deur van zijn kantoor gevonden, zo groot was de woede tegen de opslag van het hoogradioactieve afval. Verstraeten wist waarom: na de kerncentrale van Borssele en de opslag van laagradioactief afval was er in de buurt weinig animo voor nóg een gevaarlijke opslag.

Van buiten zou de bunker grijs blijven. Onopvallend, vertelde de directeur van Covra, was de beste uitstraling voor de bunker, gecamoufleerd als een gewoon kantoorgebouw. Choqueer niet, maar straal orde, netheid en betrouwbaarheid uit. Aan de binnenkant van de bunker zou een kunstwerk van William Verstraeten prachtig staan.

Directeur Hans Codée was gefascineerd door Williams kunst. Zoals hij onderzocht hoe de straling van de zon een leren jas verkleurt en hoe de aarde in New York veel sneller draait dan in Reykjavik. Natuurwetenschappen, maar dan in de kunst. Codée had al een kunstwerk voor de bunker in gedachten: een foto van Zeeland, die zowel herkenbaar als vervreemdend was.

‘Ik wil niet dat je een foto koopt,’ zei de kunstenaar tegen Hans Codée. ‘Ik wil dat je me een opdracht geeft voor het hele gebouw.’ Verstraeten was wilde graag weten hoe straling werkt, wat radioactiviteit precies is. Dit was een kans om het uit te zoeken. En om een kunstwerk te maken dat een eeuw zou blijven bestaan. Welke kunstenaar kan dat zeggen?

Hans Codée vond het goed.

Zeeuwse Stonehenge

Een jaar later keerde Verstraeten terug. Codée zag de kunstenaar aankomen, een beetje warrig als altijd, een plastic tasje in zijn handen. ‘Ik heb de oplossing,’ zei de kunstenaar, ‘ik weet precies wat jullie moeten doen.’

Hij haalde uit het tasje achteloos een modelletje tevoorschijn, geknutseld van karton en plakband. Het was een maquette van de bunker. Niet gecamoufleerd in onopvallend grijs, maar knaloranje. ‘Het gebouw moet een kunstwerk worden,’ betoogde Verstraeten. ‘Niet verborgen als iets wat geheim moet blijven, maar open. Een kunstwerk waarvan de kleur iedere twintig jaar een stukje minder intens wordt, zoals de warmte en de straling van het afval afneemt. Je moet tegen iedereen zeggen: kom kijken. Wat wij doen is goed.’

Wie nu het terrein van Covra aan de Westerschelde betreedt, ziet hem opdoemen: een kolos die oprijst uit de aarde, knaloranje. Iedere twintig jaar wordt de bunker een tint lichter geschilderd, totdat hij over honderd jaar wit is. Precies zoals William Verstraeten het bedacht had. De oranje bunker heeft ook een blauw zusje gekregen: een opslag voor verarmd uranium. Het gebouw laat het verstrijken van de tijd zien door als een immense zonnewijzer de schaduw van de zon op de zijkanten van de loods te tonen. Een Zeeuwse Stonehenge die de tijd van het nucleair verval toont.

Geen calamiteiten

Op het terrein wordt nu ook kunst bewaard, zij aan zij naast vaten met radioactief afval. Maar eerst wil Hans Codée – inmiddels met pensioen – de oranje bunker laten zien, waar het hoogradioactieve afval wordt bewaard. In de gangen klinkt donderend geraas – ventilatie, want in de bunker zitten geen ramen voor schone lucht voor de medewerkers. We passeren de kunstfoto’s van William Verstraeten, want die kwamen er uiteindelijk ook.

We stappen langs een opzijgeschoven, metalen deur van ruim een meter dik, tot we in een lange galmende ruimte staan. Daar ligt onder ronde deksels het dodelijke hoogradioactieve afval van de afgelopen dertig jaar opgeslagen. Gegoten in glazen capsules, onder een vloer van anderhalve meter beton. Honderd kubieke meter ligt er onder de betonnen vloer. Op het oog lijkt het weinig, voor dertig jaar afval.

Wie direct naast het afval zou staan, sterft. De straling muteert het DNA in je cellen. Maar door de afschermende betonnen vloer kun je veilig over de ronde deksels lopen, als in een scène uit een oude James Bondfilm. Wie een hand op een van de deksels legt, voelt de warmte van het radioactieve afval. Door het vervallen van de radioactiviteit komt warmte vrij.

‘Als ik het verval van radioactieve stoffen uitleg,’ zegt Hans Codée, ‘begin ik over atoomkernen waar neutronen en protonen in zitten en elektronen die er omheen gaan, en sommige stoffen die neutronen in protonen veranderen – nou, tegen die tijd is iedereen afgehaakt. Maar als William uitlegt dat het gebouw steeds lichter van kleur wordt en over honderd jaar wit is, zoals de warmte van het afval afneemt en over honderd jaar afgekoeld is, snapt iedereen het.’

Als de stroom uitvalt, en zelfs als een deel van de buitenmuur instort, gebeurt er niets. Geen calamiteiten zoals bij de kerncentrales in Fukushima of Tsjernobyl. De opslag is passief, een systeem dat ook zonder mensen werkt. Zo lang niemand aan het afval komt, kan er niets gebeuren.

Een andere ingang

Buiten loopt Hans Codée met grote stappen tegen de wind in, terwijl boven zijn hoofd de meeuwen over de Westerschelde krijsen. ‘Kernenergie is bekend geworden door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Vergissingen van de mensheid, denk ik,’ zegt Codée. ‘Ik begrijp de protesten tegen het radioactieve afval vanuit het idee: we willen geen kernenergie. Maar we gebruiken ook radioactieve stoffen voor medische behandelingen. Daar is niemand tegen, en het geeft precies hetzelfde afval. Waarom mag het één er wel zijn en het ander niet?’

‘Toen we de bunker bouwden, waren mensen ontzettend boos. Er mocht geen oplossing voor het radioactieve afval komen, want dat was een vrijbrief voor meer kerncentrales. Terwijl die beslissing aan de Tweede Kamer is. Wij zorgen er alleen voor dat het afval dát er is, veilig wordt bewaard. Want ook als alle centrales zouden sluiten, heeft Nederland nog steeds radioactief afval.’

Snapt hij waarom mensen bang zijn voor kernenergie? ‘Ik ervoer blinde haat van mensen uit de omgeving toen Covra net begon. Die emotie was echt. Dan kun je zeggen: dat is onzin, de feiten zijn zus en zo. Maar dat helpt niet. Het is net zoals angst voor spinnen, die emotie is niet rationeel weg te poetsen. Kernenergie is altijd iets afschrikwekkends geweest. Dat neem je niet weg door te zeggen: het is wél veilig.’

En hier komt de kunst bij kijken. Je kunt mensen er niet met een foldertje of een spotje op tv van overtuigen dat Covra zijn werk goed doet, merkte Codée. Ze moeten het met eigen ogen zien. Dus nodigde hij kunstenaars uit om hun werk te exposeren in het kantoorgebouw van het bedrijf. Bij een expositie hoort een opening, naar een opening komen mensen. Als ze willen, krijgen ze meteen een rondleiding over het terrein.

‘Mensen komen nu met een heel ander idee binnen,’ zegt Codée. ‘Ze komen nu voor de kunst, in plaats van het protest. Oh, dus dit is wat jullie in dat oranje gebouw doen, zeggen ze. Er is een andere ingang om met elkaar te praten, het hoeft niet meteen over kernenergie te gaan.’

Kunst naast het afval

Protesten zijn er nauwelijks geweest. Sinds de oranje opslag in 2003 werd geopend, hebben actievoerders één keer gedemonstreerd. ‘Dat komt door de kleur natuurlijk,’ zal William Verstraeten later zeggen met een grijns. ‘Als iets er geheimzinnig en gesloten uitziet, is het makkelijker om te demonstreren dan als het benaderbaar en open is.’

Vroeger zeiden medewerkers op feestjes liever niet dat ze bij Covra werken. ‘Nu zijn ze trots,’ zegt Codée.

Toen William Verstraeten destijds zijn oranje maquette liet zien, duurde het even tot Codée zag hoe eenvoudig en geniaal het plan van de kunstenaar was. De raad van commissarissen en de financiers waren snel overtuigd, aangestoken door Codées enthousiasme. Toenmalig koningin Beatrix kwam langs voor de opening en al gauw merkte Codée een verandering.

Er kwamen buitenlandse collega’s en nieuwsgierige scholieren langs, meer dan tweeduizend bezoekers per jaar. Ineens moesten medewerkers rondleidingen geven, en nu hadden ze een verhaal. Als in een sprookje vertelden ze: over honderd jaar is het gebouw wit. De bunker was van een grijs monster veranderd in een kunstwerk dat de aandacht trekt.

Over honderd jaar

Codée opent de sluisdeur naar een van de vier grijze loodsen waar het laagradioactieve afval ligt, afval dat ‘slechts’ een paar honderd jaar actief blijft. Het zijn rijen met zwarte vaten, hoog opgestapeld tot een labyrint van tonnen, 42 duizend in totaal. ‘Gevaarlijk, radioactief’, staat er met rode verf op de buitenzijde van ieder vat gespoten. In de vaten zit eerst een dikke laag beton, daarbinnen het samengeperste radioactieve afval.

In de loods staan ook depotkasten met daarin modellen van schepen, etsen en schilderijen. De Zeeuwse musea, die niet genoeg ruimte hebben om de voorwerpen zelf op te slaan, kunnen deze ruimte de komende honderd jaar als depot gebruiken. Een ongebruikelijk lange periode in de snelle kunstwereld, maar Codée is lange termijnen gewend.

‘Mensen zijn soms verbaasd dat we het kernafval hier een eeuw opslaan. Dan vraag ik: hoe lang denk je dat we de Rembrandts bewaren? Al vierhonderd jaar. Je moet alleen een goede reden hebben om het te bewaren. Een Rembrandt willen we bewaren om aan onze kleinkinderen te laten zien, radioactief afval om onze kleinkinderen te beschermen.’

‘Wie weet is dit afval over honderd jaar ook waardevol. Er zitten atomen in die niet zomaar in de natuur te vinden zijn. Als de maatschappij die stof over een aantal jaar nodig heeft, zit het in deze vaten.’

Straling in een handtas

‘Het is pas honderd jaar geleden dat kernenergie ontdekt werd,’ zegt Codée terwijl hij naar een kleine loden kubus loopt. ‘Zie je dat kleine reageerbuisje achter het glas? De straling van dit kleine buisje is hoger dan de meeste vaten die hier liggen.’

Het is het buisje met radium dat Marie Curie in 1911 in haar handtas meenam naar Leiden om onderzoek te doen. Eind negentiende eeuw had Henri Becquerel toevallig op fotografische platen gezien dat uranium een geheimzinnige straling gaf. Marie en haar man Pierre Curie onderzochten het nieuwe verschijnsel en ontdekten dat bepaalde stoffen elektromagnetische straling afgaven. Straling kwam vrij omdat atomen niet stabiel waren, zoals men dacht, maar tegen elkaar botsen.

Radioactief, noemde Marie Curie de stoffen die straling afgaven. Vooral de stof radium, die Curie ontdekte, had een interessant effect: het straalde zo sterk dat het warmte en licht gaf en rode plekken op de huid maakte. Dat straling gevaarlijk was, óók als het in een handtas zit, wist ze nog niet.

‘Eigenlijk is het vreemd dat we geen zintuig voor straling hebben,’ zegt Codée. ‘Voor dingen die gevaar opleveren, ontwikkelen levende systemen meestal een zintuig. Als we te veel warmte voelen of licht, voelen we pijn. Met straling is dat niet zo. Misschien weten we er nog te weinig van. Daarom is het goed om het honderd jaar boven de grond te bewaren. Ik ga ervan uit dat we er tegen die tijd dingen mee kunnen die we nu niet voor mogelijk houden.’

Het idee dat afval waardevol kan worden, is niet gek. Kijk naar ons cultureel erfgoed, zegt filosoof Gerard Rooijakkers in het boek Rituele depots: erfgoed en afval. Veel van de archeologische schatten uit de Romeinse tijd of de Middeleeuwen zijn afval. Spullen die in een beerput gegooid werden, in de vergetelheid raakten en pas eeuwen later opgegraven werden door archeologen.

‘Dus misschien,’ zegt Codée, ‘ligt hier het cultureel erfgoed van de toekomst. Dat mensen later zeggen: dit is waar de mensheid in het begin van de 21e eeuw toe in staat was.’

Niet besmettelijk

Codées voetstappen galmen over de betonnen vloer. We hoeven niet bang te zijn dat de kunst die hier vandaag ligt radioactief wordt, stelt hij gerust. ‘Straling is niet besmettelijk, dat is een groot misverstand. Vergelijk het met een lamp die op de muur schijnt. De muur wordt verlicht, maar als je de lamp uitdoet, geeft de muur niet vanzelf licht. Met straling is dat ook zo: als je de stralingsbron weghaalt, wordt de muur niet vanzelf radioactief.’

Ook wij zijn niet blootgesteld aan te veel straling, blijkt wanneer de dosismeter, het apparaatje dat straling meet, wordt uitgelezen. Eén microsievert hebben we opgelopen. ‘Je wordt je hele leven blootgesteld aan straling, ook thuis. Vlieg je naar New York, dan loop je vijftien microsievert op. Tijdens een normale dag in Nederland is dat zeven microsievert. Daar is er dus hooguit één bijgekomen.’

Later, in de bedrijfskantine, haalt Hans Codée een kalender op A3-formaat tevoorschijn. ‘Kun je kijken wanneer je met pensioen gaat,’ zegt hij met een knipoog. De kalender, ontworpen door William Verstraeten, loopt van 2013 tot het jaar 2113. Tegen die tijd wordt het afval waarschijnlijk onder de grond begraven, op een plek in Nederland waar het afval honderdduizend jaar blijft liggen, net zo lang tot het uitgestraald is. De eindberging, heet dat.

De aarde is de veiligste plek om het radioactieve afval op te slaan, was de conclusie van het recente rapport van de onderzoeksgroep die zeven jaar onderzoek deed naar de eindberging. ‘Diep in de aarde gaan de veranderingen langzaam,’ zegt Codée. ‘We hebben fossielen van dinosaurussen gevonden die 65 miljoen jaar onaangetast in de grond hebben gelegen. Als wij ook zo’n plekje vinden, kan het afval rustig uitstralen.’

Ondergronds tunnelstelsel

Terwijl Nederland een eeuw wacht, wordt in Finland nu ’s werelds eerste ondergrondse bergplaats voor radioactief afval gebouwd. Finse politici besloten begin jaren negentig om verder te gaan met kernenergie, maar alleen als er direct een oplossing bedacht werd voor het afval.

Dat is Onkalo geworden, Fins voor grot: een ondergronds tunnelstelsel op een halve kilometer diepte, gehouwen uit een granieten steenlaag. De geschatte kosten zijn ruim 3,5 miljard euro. In de jaren twintig, over een paar jaar al, wordt het kernafval in beton gegoten en voorgoed in de schachten van het tunnelstelsel geplaatst.

Waarom laten wij het opruimen van het afval over aan de generaties na ons? ‘Vanwege het geld en de hoeveelheid afval,’ zegt Ewoud Verhoef, adjunct-directeur van Covra en projectleider van de onderzoeksgroep.

‘Wij gebruiken minder kernenergie dan de Finnen, het is duur om dat kleine beetje afval nu al onder de grond te stoppen. In plaats daarvan sparen we een eeuw: iedereen die afval inlevert, betaalt mee aan de spaarpot die over honderd jaar de eindberging gaat betalen.’

In de tussentijd kijkt Covra nieuwsgierig toe hoe buurlanden het aanpakken. ‘Want wie zegt dat over honderd jaar de landsgrenzen hetzelfde zijn? Die zijn in het verleden zo vaak veranderd.’

Over honderd jaar moet nog iets duidelijk zijn: de locatie. Waar moet het afval begraven worden? Het gaat niet om een grote opslag, zegt Verhoef, slechts om een tunnelstelsel van hooguit een kilometer bij een kilometer. Een concrete plek is – bewust – nog niet gekozen. ‘Als je nu meteen een plekje kiest, luisteren mensen niet meer,’ zegt Codée. Dat gebeurde ook in de jaren zeventig, toen er plannen waren om het afval in zoutlagen onder Groningen of Drenthe te bewaren. Na protesten werd dat plan geschrapt.

Piramides als markering

Hans Codée gaat niet meemaken dat het kernafval onder de grond wordt bewaard, net zomin als William Verstraeten gaat zien dat de oranje bunker wit wordt.

Als de honderdjarige kalender verlopen is en het afval onder de grond ligt, blijft het daar honderdduizend jaar liggen. Totdat de straling verdwenen is en het afval geen kwaad meer kan. Alleen, hoe vertel je dat aan de mensen in de toekomst?

Begrijpen ze ons alfabet? Snappen ze dat een schedel symbool staat voor iets gevaarlijks? Met die vragen reisde regisseur Michael Madsen naar de Finse bergplaats Onkalo. In Madsens onheilspellende documentaire Into Eternity vraagt hij wetenschappers hoe ze toekomstige generaties kunnen waarschuwen voor het ondergrondse afval.

We moeten obelisken plaatsen met daarop informatie in verschillende talen en symbolen, zegt de eén. Nee, zegt de ander, we moeten het bestaan van Onkalo uit ons geheugen wissen. De natuur het gebied laten overwoekeren zodat niemand weet dat het bestaat. Want dat er radioactief afval ligt is geen probleem; de mens is het gevaar.

William Verstraeten moet lachen om sommige plannen die geopperd worden. Zo denken ze in Amerika na over grote metalen pinnen die waarschuwend uit de aarde omhoogsteken. ‘Voor hetzelfde geld is er over twintig jaar een staalgebrek en halen ze die pinnen weg,’ zegt hij schouder- ophalend. ‘Zo zijn mensen nu eenmaal.’

‘Communiceren met mensen over duizend jaar, dat is te doen,’ zegt de kunstenaar. ‘We hebben nu ook teksten en bouwwerken die duizend jaar oud zijn. Maar vijfduizend jaar? Dat is zo lang als de piramides bestaan en we weten nog steeds niet precies wat hun functie was.’ Verstraeten grijnst.

‘Misschien gebruikten de oude Egyptenaren de piramides als markering voor een opbergplek voor gevaarlijk afval.’ Trouwens, voegt hij toe, als je de bergplaats markeert met een speciaal bouwwerk worden mensen nieuwsgierig wat er begraven ligt. ‘Dan gaan ze juist graven, net zoals mensen de piramides binnendrongen op zoek naar waardevolle spullen.’

Boven het afval wonen

‘Het is de vraag of je je moet bemoeien met de mensheid over duizenden jaren,’ zegt hij. ‘Eigenlijk zijn er drie mogelijkheden. Als de wereld vervalt tot grotere domheid, zullen ze niet gaan graven. Als de wereld technologisch verder evolueert, dan weten mensen wat radioactiviteit is, en is er geen gevaar. Of de mensheid bestaat niet meer. Dan maakt dat beetje kernafval ook niet uit.

Dus als je iets wil laten weten aan de toekomst, is het alleen voor de komende generaties.’

Verstraeten ziet de volgende opdracht al voor zich: een monument ontwerpen dat bovenop de tunnel naar de ondergrondse berging wordt geplaatst, ter ere van kernenergie. ‘Het is groots dat de mensheid kernenergie kan beheersen. Dat we slechts met een klein beetje massa zoveel energie kunnen opwekken.’

Van fervent tegenstander is hij een voorstander van kernenergie geworden. Hij heeft zelfs een ontwerp gemaakt voor kerncentrale Borssele: achter de witte koepel van de kerncentrale plaatste hij twee langwerpige witte oren, waardoor het uit de verte op een konijntje lijkt. Een ontwerp met een knipoog, zegt hij; hij ontving meteen een brief van de advocaat van Dick Bruna.

‘Niet veel mensen willen geassocieerd worden met kernenergie,’ zegt hij. Er zijn nog steeds kunstenaars die niet met hem willen praten. ‘Terwijl de vraag naar energie alleen maar toeneemt. Het afval uit kolencentrales verdwijnt gewoon in de lucht, dat is vervuiling waar we nooit meer iets aan kunnen doen. Van kernenergie weet ik tenminste dat het afval geïsoleerd wordt en veilig opgeborgen.’

Hij zou best boven de bergplaats van het radioactief afval willen wonen, geen enkel probleem. ‘Maar,’ zegt hij, ‘eigenlijk zou de toekomstige minister-president boven de ondergrondse berging moeten wonen. Om te laten zien dat het veilig is.’